Fictiedebuut: De achtste dag

Half maart 2019 verschijnt de debuutroman van Annemarie Haverkamp: De achtste dag. In een verlaten grenslandschap aan een rivier woont timmerman Egbert met zijn gehandicapte zoon Adam, voor wie hij alleen de zorg draagt nadat zijn vrouw Emma is overleden. Wanneer Egbert hoort dat hij nog maar kort te leven heeft, moet hij noodgedwongen nadenken over de toekomst van zijn zoon.

Column: Zorgen (2)

“Ik hoef niet te hoesten mama”, zegt Job met hese stem. “Ik ben beter.” Op bed zit een manneke dat de halve nacht heeft wakker gelegen van zijn eigen geblaf. Mijn kind is hartstikke ziek, ik heb de juf al ingelicht. Maar Job is er klaar mee.

Column: Zorgen

Wat is er toch met Job? Op school praat ik met de juffen, ook zij maken zich zorgen. Job is moe, veel te moe. Vroeger wilde hij in de klas nog wel eens dansen, liet hij zich aan zijn handen optrekken uit de rolstoel om enthousiast mee te bewegen. Nu blijft hij altijd zitten, zegt de juf.

Column: Slapen

Een van de beste dingen van een vakantie zonder Job is slapen. Het zit ’m niet in de lengte van de nachtrust, maar in de diepte. Slapen zonder alert te hoeven zijn. Niet wakker schrikken van een snurk, een kreun of een huil. Of erger nog: naast je bed staan omdat het op de andere kamer zo stil is. Eng stil.

Column: Deuk

“Nu rijd jij maar een stukje,” zegt mijn vader. We stoppen langs de weg en wisselen van kant. Ik krijg instructies over rem, versnelling en gas. Behoedzaam stuur ik de Mercedes door het bos. Papa knikt goedkeurend. We maken een bochtje naar rechts. Veel snelheid hebben we niet. En dan: boem.

Column: Motorvakantie

Ik zie mijn moeder nog op de oprit staan. Rode duster, blauwe pantoffels. Ze zwaaide tot ze ons niet meer kon zien. Mijn vader gaf gas, ik spande mijn buikspieren aan. Het was zes uur ’s ochtends en de weg was nog leeg. Zo begon onze jaarlijkse motorvakantie.

Column: Dorpje

Ons huishouden bestaat officieel uit drie personen, maar we kunnen er gerust een paar niet-geregistreerde leden bij optellen. Job heeft begeleidsters die afwisselend na school (drie dagen per week) voor hem zorgen.

Column: Rolstoelfiets

De elektrische fiets zit in de lift, behalve die van ons. Mijn frustratie piekt op het fietspad als ik krom over het stuur lig terwijl bakfietsmoeders met een half dozijn koters me lachend voorbij zoeven.

Column: Verdriet

Aan het plafond hingen dikke, heldere druppels. Langs het keukenkastje gleden ze traag naar beneden. Plok plok – op de laminaatvloer. Samen keken we naar de lekkage. Waarom nú? Wat hij aandeed, vroeg ik Rob. Zwijgend liep hij de trap op. Ik stopte zwarte hakken in mijn weekendtas.

Column: Dood

Job zit tegenover me aan tafel. Hij kijkt me plechtig aan, want ik heb gezegd dat ik hem iets moet vertellen. Ik laat een foto zien. “Wie is dit, Job?” “Oma.” “Oma is gister doodgegaan.” Geen reactie. “Oma is weg, Job.”

Column: Pruik

Job (15) wil morgen een zwarte pruik op naar school. Het duurde even voor ik snapte wat hij bedoelde. In bed friemelde hij aan zijn haar. “Krullen mee naar school.” Hij herhaalde het drie keer, toen begreep ik het.